Emotionele beschikbaarheid: een relationele basishouding voor ouders en begeleiders

Come Home

You built those walls

To hide your fear inside

We were younger then

It’s safe now, come outside

(Ryan Adams)

Emotionele beschikbaarheid en het ondersteunen van veerkracht

De wederzijdse emotionele beschikbaarheid tussen ouders en het jonge kind vormt de bedding voor het ontwikkelen van een veilige gehechtheidsrelatie. Ouders zijn in de eerste levensjaren zowel de veilige basis die het kind nodig heeft om de wereld te verkennen, als een veilige haven waar het kind terug kan aanmeren om bij te tanken wanneer de buitenwereld teveel stress oproept. Een veilige gehechtheid vormt gedurende het hele leven zowel een interne als een externe buffer tegenover stress en scheidingservaringen. Verder vormt deze gehechtheid de basis voor het aangaan van vertrouwensrelaties, het ontwikkelen van een positief zelfwaardegevoel en de mogelijkheden om emoties te reguleren en te mentaliseren (= emotioneel begrijpen van zichzelf en anderen).

In mensentaal uitgedrukt: iemand die veilig gehecht is, kan andere mensen voldoende vertrouwen om hulp en ondersteuning te vragen en te aanvaarden wanneer hij die nodig heeft om zijn eigen weg te gaan. Zo ontwikkelt hij een ‘goed genoeg’ zelfbeeld en zelfvertrouwen. Wanneer deze persoon er ook nog in slaagt om zijn gevoelens en gedachten te gebruiken om zichzelf en de wereld te leren kennen, dan kan hij leren uit moeilijke situaties. Op deze wijze wordt de ontwikkeling van veerkracht bevorderd: de persoon wordt krachtiger door het omgaan met de problemen die hij ontmoet en met zijn eigen kwetsbaarheid. Dit is van groot belang bij mensen die hun kwetsbare levensgeschiedenis tonen in en door gedrags- en emotionele problemen.

Wederzijdse emotionele beschikbaarheid?

Mijn denken over emotionele beschikbaarheid wordt geïnspireerd door het werk van Biringen & Emde (1998). Deze onderzoekers hebben observatieschalen ontwikkeld om de verschillende dimensies van de emotionele beschikbaarheid tussen ouders en hun jonge kind in kaart te brengen. De schalen bieden een kader om te observeren en te reflecteren (= bewust mentaliseren) over de wederzijdse interacties tussen ouders en hun jonge kind. Er zijn zowel dimensies die het ouderlijke aanbod beschrijven, als dimensies die de reacties van het kind belichten. Belangrijk hierbij is het wederzijdse karakter: bij elk aanbod van de ouder wordt er gelet op de reactie van het kind en omgekeerd. Deze schalen kunnen gebruikt worden bij het ondersteunen van de vroege ouder-kindrelatie, een toepassing die belangrijk is om het ontwikkelen van gedrags- en emotionele problemen bij kinderen en jongeren zoveel als mogelijk te voorkomen. Ze kunnen echter ook gebruikt worden om stil te staan bij de wederzijdse afstemming tussen ouders/begeleiders en jongeren of volwassenen met een verstandelijke beperking.

De verschillende dimensies met betrekking tot ouderlijke emotionele beschikbaarheid zijn: sensitieve responsiviteit, structureren, niet-intrusiviteit en niet-vijandigheid. Aangezien de laatste dimensies negatief geformuleerd zijn, heb ik gekozen voor een positieve hertaling. Zo benoem ik niet-intrusiviteit als ruimte bieden en rekening houden met persoonlijke grenzen. De dimensie niet-vijandigheid heb ik mildheid genoemd.

Het is vooral de integratie van de verschillende dimensies die van belang is. Zo is het bijvoorbeeld nodig om aanvoelen te koppelen aan structuur (houvast én grenzen), op een milde manier en met ruimte en respect voor de eigenheid van kinderen.

Bij elk ouderlijk aanbod wordt gelet op de reacties van het kind: hoe gaat het kind om met dit aanbod? Is er gedeeld plezier merkbaar in de interactie? Deze respons wordt onder meer beïnvloed door de relatie, het actuele welbevinden en het emotionele ontwikkelingsniveau (Došen, 2014).

Het gaat hierbij niet zozeer om bepaalde eigenschappen van het kind of de ouder, maar over de wederkerigheid in de relatie: hoe spelen ouder en kind op elkaar in? Centraal staat het vermogen van beiden om een positieve en veilige relatie met elkaar aan te gaan en vol te houden. Binnen deze relatie kunnen emoties, die als negatief ervaren worden, opgevangen en gereguleerd worden. In dit verband kijken we naar de stemming van het kind: reageert het met plezier op het relationele aanbod of zijn er vooral ‘onaangename’ emoties merkbaar? Slagen ze er samen in om deze emoties voldoende te reguleren? Of zien we eerder een emotieloze reactie?

Daarnaast wordt ook aandacht geschonken aan de manier waarop het kind zijn ouders in het contact probeert te betrekken: op welke wijze signaleert het kind dat het zijn ouders al dan niet nodig heeft? Gaat het dit doen op een positief vragende manier, eerder eisend-aanklampend, ambivalent of vermijdend? Hier kan dan een voorzichtig verband gelegd worden met de verschillende gehechtheidsstijlen. Voorzichtig omdat je nooit op basis van één observatie diagnostische conclusies mag trekken.

Naast de manier waarop contact gezocht wordt, is het nodig om aandacht te besteden aan de frequentie en de intensiteit van de contactinitiatieven van een kind. Deze geven een indicatie van de kwaliteit van gehechtheid: naarmate kinderen veiliger gehecht zijn en zich verder ontwikkelen, ontstaat er meer ruimte in het contact en gaat het kind minder beroep doen op zijn ouders. Het leert ook om tijdelijk uitstel te verdragen wanneer papa of mama niet onmiddellijk emotioneel beschikbaar zijn, om dan later bij te tanken.

Ten slotte kijken we bij deze dimensie ook naar de rolverwachting: welke rol verwacht het kind van zijn ouders? Verwacht het een ouder die overneemt, samen doet of heeft het vooral erkenning en bewondering nodig?

Aangezien het om wederkerigheid in de relatie gaat, is het mogelijk dat een kind met één ouder een eerder veilige interactie aangaat terwijl er meer onveiligheid merkbaar is in de relatie tot de andere ouder. Op deze wijze kun je op zoek gaan naar mogelijke hulpbronnen in het gezin: de beschermende kracht van de ene ouder tegenover de mogelijke onveiligheid van de andere ouder. In mijn werk met getraumatiseerde kinderen heb ik ervaren dat deze beschermende kracht het kind een belangrijk houvast kan bieden om een trauma beter te verwerken.

Omwille van de complexiteit en veelzijdigheid van het denkkader, heb ik een schema ontworpen waarin alle dimensies gesitueerd en omschreven worden. Hierbij maak ik de overgang van ouder-kindrelatie naar de relatie tussen begeleider en cliënt:

 

In het boek ‘Wederzijdse emotionele beschikbaarheid. Mensen met een verstandelijke beperking, hun context en begeleiders samen op weg’ (De Belie & Van Hove, 2013) worden de verschillende dimensies uitvoerig beschreven en geïllustreerd aan de hand van mijn ervaringen als orthopedagoog en psychotherapeut bij kinderen, jongeren en volwassenen.

Wederzijdse emotionele beschikbaarheid tussen begeleiders en mensen met een verstandelijke beperking (en gedrags- en emotionele problemen): belang van stressregulatie en mentaliseren

Het denkkader met betrekking tot emotionele beschikbaarheid biedt ook houvast bij het afstemmen van het relatieaanbod op de emotionele ontwikkelingsnoden (zie ook: Claes, e.a., 2012) en mogelijkheden van jongeren en volwassenen met een verstandelijke beperking. Door deze afstemming wordt het voor hen makkelijker om ondersteuning te aanvaarden en constructief te gebruiken. De verschillende dimensies met betrekking tot emotionele beschikbaarheid bieden een kader om, samen met begeleiders, te reflecteren over ons aanbod en gericht te kijken naar de wijze waarop de mensen die we ondersteunen met dit aanbod omgaan.

Voor alle duidelijkheid: ik benoem de dimensies niet expliciet, maar houd ze in mijn achterhoofd om gerichter te observeren en te mentaliseren: hoe kunnen we begrijpen dat mensen zo op ons aanbod reageren? Wat roept dit bij ons op aan gedachten en gevoelens? Op welke wijze kunnen we hiermee omgaan?

Hierbij weet ik dat we de waarheid niet in pacht hebben. We werken in het team met hypothesen die we toetsen door ze te bevragen en/of concreet toe te passen en te letten op het effect. In dit verband is het belangrijk om niet enkel op iemands woorden te letten, maar om ook naar zijn daden te kijken. Het komt namelijk vrij veel voor dat een cliënt ‘meepraat’ met zijn begeleiding, maar in zijn daden een andere richting inslaat.

Wanneer een begeleider zich emotioneel beschikbaar wil afstemmen op de ontwikkelings- en ondersteuningsnoden van mensen (met een beperking) is het nodig dat hij zich bewust is van zijn eigen kwaliteit en stijl van gehechtheid en dat hij voldoende kan mentaliseren (De Belie & Van Hove, 2013): zowel met het hoofd als met het hart begrijpen wat de betekenis is van hun reacties. Deze processen worden negatief beïnvloed door stress en emotionele verwarring. Daarnaast is het belangrijk om rekening te houden met de veelheid aan taken en de praktische beschikbaarheid van begeleiders.

Zowel mentaliseren als emotionele beschikbaarheid zijn dus geen evidente basishoudingen. Ze vergen heel wat van de emotionele deskundigheid van begeleiders en dienen ondersteund te worden door de samenwerking binnen een team. Zo kan het team beschouwd worden als een ruimte waar het mogelijk wordt om samen stil te staan bij de stress die opgeroepen wordt in het contact met cliënten, als voorwaarde om samen te mentaliseren over de wederzijdse emotionele beschikbaarheid.

Want het is vaak pas achteraf dat het tot je doordringt hoe je spontaan gereageerd hebt en wat hiervan het effect was op de persoon die je begeleidt. Soms blik je dan tevreden terug en wordt deze tevredenheid ondersteund door de reacties van de andere teamleden. Op andere momenten besef je dat je aardig de mist in ging en dat het nodig is om een volgende keer bij te sturen (= herstel van verkeerde afstemming).

Wanneer deze processen onvoldoende gedragen worden, hebben begeleiders de neiging om over te schakelen op ‘automatische pilootreacties’ waarbij een beroep gedaan wordt op de regels van het huis om zo bepaalde reacties te rechtvaardigen. Het is dan ook een teken aan de wand wanneer er binnen een bepaald team een opstapeling van regels, afspraken en consequenties ontstaat. Dan is het nodig om stil te staan bij en te reflecteren over wat er met het team aan het gebeuren is, hoe dit beïnvloed wordt door de relaties met cliënten en welke invloed dit uitoefent op de wederzijdse emotionele beschikbaarheid tussen begeleiders en cliënten.

Uit het leven gegrepen: Anja

Anja, een volwassen vrouw met een verstandelijke beperking, ervoer in haar gezin van herkomst dat haar ouders niet zo betrouwbaar waren en dat ze haar in de steek lieten ‘omdat ze té moeilijk was’. Ook al heeft ze ondertussen al heel wat andere positieve ervaringen met begeleiders die haar niet in de steek lieten of kwetsten, toch spoken deze vroegere ervaringen nog sterk door haar hoofd, zeker wanneer ze onder stress staat. Ze oefenen op deze momenten een grote invloed uit op de wijze waarop ze begeleidingsrelaties interpreteert en ervaart.

Zo gebeurt het regelmatig dat ze zich afgewezen voelt wanneer een begeleider met iemand anders bezig is, aan de telefoon is of aan de computer. Ze kan dan niet anders dan denken: “Die laat me in de steek, dat is altijd zo.”

Ook al geeft de begeleider duidelijk aan dat hij even geen tijd heeft, maar straks wel ruimte zal maken voor haar. Hierbij valt haar vermogen om te mentaliseren tijdelijk weg en neemt ze het gedrag van de begeleider letterlijk: het feit dat de begeleider even geen tijd heeft voor haar, wordt gevoelsmatig gelijk geschakeld met in de steek gelaten worden. Bijgevolg begint ze driftig op en neer te lopen voor het lokaal van de begeleiding of houdt ze de begeleider sterk in de gaten wanneer die met iemand anders bezig is. Af en toe probeert ze contact te maken door een vraag te stellen of door uit te dagen. Ook lucht ze haar mening op een ongezouten manier: “Zie je wel, jullie hebben nooit tijd voor mij.” Wanneer een begeleider dan geïrriteerd reageert (= licht vijandig), voelt ze zich bevestigd in haar vrees en ontstaat er niet zelden enige emotionele turbulentie.

Haar begeleiders hebben deze spannende situaties al vele keren mee gemaakt. Wanneer ze haar reacties letterlijk nemen, wat erg begrijpelijk is, dan ervaren ze haar als ondankbaar, storend, nooit tevreden… Deze interpretaties beïnvloeden dan hun sensitieve responsiviteit en de wijze waarop ze structuur bieden: proberen te corrigeren, scherper afgrenzen, geïrriteerd reageren…

Het is dan ook nodig om tijdens de teamvergadering voldoende aandacht te besteden aan het erkennen van hun stress en draaglast: Anja kan echt wegen op de begeleiding, je zelfvertrouwen ondermijnen en het gevoel geven dat er weinig tot geen ruimte is voor de anderen. Ook het gevoel dat het nooit genoeg is voor haar, dat je nooit goed kunt doen, is erg aanwezig.

Na het erkennen van deze gevoelens en gedachten ontstaat er ruimte om te mentaliseren over de achterliggende gevoelens, gedachten en overtuigingen van haar gedrag: haar onveilige gehechtheid in combinatie met problemen om haar emoties te reguleren en te mentaliseren.

Wanneer haar begeleiders dit terug kunnen denken en voelen, dan lukt het beter om zich emotioneel beschikbaar op te stellen: er worden nog grenzen getrokken en houvast geboden, maar op een meer sensitieve wijze. Ook wordt haar meer ruimte geboden om kwaad en ontevreden te zijn. Bovendien wordt een prettige activiteit die gepland staat niet opgeschort, maar gaat deze zeker door (= mildheid). Op deze houding reageert Anja positief: ze staat terug open voor contact en ondersteuning en neemt zelf op een minder dwingende en verwijtende manier contact op. Wanneer ze dan minder gestresseerd is, slaagt ze er zelf beter in om te mentaliseren over haar gedrag en hoe dit beïnvloed wordt. Ze kan dan (h)erkennen dat ze zich bij stress door haar begeleiders in de steek gelaten voelt en dat ze dan erg boos kan worden. Ze beseft dan ook dat dit te maken heeft met wat ze vroeger ervaren heeft en neemt zich voor om in het vervolg haar stress vlugger te signaleren.

Afronding

We hopen dat deze korte voorstelling van wederzijdse emotionele beschikbaarheid voldoende aansluit bij de ervaringen van de lezer. Om emotioneel beschikbaar te zijn, is het nodig dat begeleiders hun stress voldoende reguleren en mentaliseren. Op deze manier ontstaat ook ruimte bij ‘cliënten’ om zichzelf beter te begrijpen.

Naar mijn mening is dit kader ruim bruikbaar bij het bieden van ondersteuning aan kinderen, jongeren en hun gezin. De dimensies sensitiviteit en structuur zijn wellicht reeds erg vertrouwd. Het grote belang van dit kader zit dan ook in de aanvulling met ‘ruimte bieden’ en ‘mildheid’ en de focus op wederzijdsheid. Ten slotte vormt ook de nadruk op het belang van stressregulatie en mentalisatie als voorwaarden voor emotionele beschikbaarheid.

Erik De Belie is orthopedagoog/psychodynamisch kindertherapeut M.F.C. De Hagewinde / Vakgroep Orthopedagogiek U Gent / Alderande Lokeren en voormalig medewerker bij Balans. Geert Van Hove is orthopedagoog / Hoofddocent Vakgroep Orthopedagogiek UGent.

Literatuur

  • Biringen, Z., Robinson, J. & Emde, R.. The Emotional Availability Scales, 3rd edition. Colorado State University, Department of Human Development and Family Studies, 1998
  • Claes, L. e.a. (red). Emotionele ontwikkeling bij mensen met een verstandelijke beperking. Antwerpen – Apeldoorn: Garant, 2012
  • De Belie, E. & Van Hove, G. (red.). Wederzijdse emotionele beschikbaarheid. Mensen met een verstandelijke beperking, hun context en begeleiders samen op weg. Antwerpen – Apeldoorn: Garant, 2013
  • Došen, A. Psychische stoornissen, gedragsproblemen en verstandelijke handicap. Een integratieve benadering bij kinderen en volwassenen. Assen: Van Gorcum, 2014